Voltmasters-platform
Toestelinstellingen
De tabbladen van een toestel in de Voltmasters EMS: Instellingen, Communicatie, Data, Load manager, Manual override en Acties, met de instellingen voor de verbinding en de toestelacties.
Met het tandwiel in het toestellenoverzicht open je een toestel. Welke tabbladen je ziet, hangt af van het type en het model van het toestel.
| Tabblad | Wat je er doet |
|---|---|
| Instellingen | De naam, de omschrijving en het bovenliggende toestel. Bij een PV-omvormer of een batterijomvormer ook het gefactureerde vermogen. Bij een energiemeter ook onder meer de meetrichting, het meettype, het fasetype en de veiligheidsmarges voor afname en injectie. |
| Communicatie | Het protocol, bijvoorbeeld Modbus TCP/IP, met het IP-adres, de poort en het slave-ID, plus de twee instellingen hieronder. |
| Data | De live waarden van het toestel, met per parameter de waarde en het tijdstip. Zie Het tabblad Data. |
| Load manager | Lastbeheer op een energiemeter. Zie Lastbeheer. |
| Manual override | Het vermogen van een toestel voor een periode zelf vastleggen. Zie Manual override. |
| Alarm | Alarmsignalering: de relaisuitgang van een IO-extensie die schakelt zolang het toestel een actief brandalarm heeft. Voor elk toesteltype behalve instralingsmeters en IO-extensies. Zie Het tabblad Alarm. |
| Acties | Commando’s voor dat toestel, zoals een batterijsysteem herstarten. Alleen bij modellen die dat ondersteunen. |
Het tabblad Instellingen

- De tabbladen van het toestel. Een energiemeter heeft nu ook de tabbladen Load manager en Alarm, die nog niet op deze schermafbeelding staan.
- Het type, het merk, het model en de aanmaakdatum van het toestel. Die pas je hier niet aan.
- De veiligheidsmarges voor injectie en afname staan vergrendeld. Klik op het potlood om ze te wijzigen.
- Opslaan bewaart de wijzigingen.
Bij een energiemeter staan er ook velden voor de meetrichting, het meettype, de locatie, het fasetype en de meetvertraging. Het vraagteken naast een veld toont wat het doet.
Gefactureerd vermogen
Een PV-omvormer en een batterijomvormer (PCS) tonen hun Gefactureerd vermogen in kVA: het vermogen waarop PV-sturing en batterijsturing voor dat toestel gefactureerd worden. Het wordt ingesteld bij het toevoegen van het toestel, op basis van het vermogen van het model of, als het model geen vast vermogen heeft, van het nominale vermogen dat je invulde. Alleen beheerders kunnen het wijzigen.
Het tabblad Data
Op het tabblad Data zie je of een toestel live waarden doorstuurt. Dat is de eerste controle na het toevoegen, zie Toestellen toevoegen en controleren.
Communicatie-instellingen
Twee instellingen op het tabblad Communicatie bepalen hoe de controller met de verbinding omgaat.
Exclusieve of gedeelde TCP-verbinding
Sommige toestellen aanvaarden maar één Modbus TCP-verbinding tegelijk, andere aanvaarden er meerdere. Per toestel kies je dus of de verbinding exclusief moet zijn, waarbij de controller de socket voor zichzelf houdt, of gedeeld mag worden met andere clients.
- Kies exclusief voor toestellen die vastlopen of de verbinding met de controller verbreken zodra er een tweede client verbindt.
- Kies gedeeld wanneer een ander systeem (een monitoringportaal, een servicelaptop, een tweede EMS-client) hetzelfde toestel tegelijk moet bereiken.
Terugval bij verlies van communicatie
Voor PV-omvormers en laadpalen stel je per toestel een terugvalgrens (fallback setpoint) in: het vermogen dat geldt zolang het EMS het toestel niet bereikt. Op veel toestellen blijft anders het laatst verstuurde setpoint gelden, dus de grens tijdens een communicatiestoring moet een bewuste keuze zijn.
- Zet ze laag (of op nul) wanneer een niet-aangestuurde asset een injectiegrens of een verplichting van de netbeheerder zou overtreden.
- Zet ze hoog (vol vermogen) wanneer productie of laadvermogen verliezen erger is dan even onbegrensd draaien.
Zodra de communicatie hersteld is, stuurt het EMS het toestel weer zelf aan.
Het fallback setpoint is een vangnet, geen regelinstelling. Kies het in lijn met de grenzen van de netaansluiting van de site en met eventuele verplichtingen rond DSO RTU.
Het tabblad Alarm
Op het tabblad Alarm geef je een brandalarm van het toestel door aan een extern systeem, zoals een brandmeldcentrale. Kies de IO-extensie en de Relaisuitgang die aan gaat zolang het toestel een actief brandalarm heeft. De uitgang gaat weer uit wanneer het alarm voorbij is.
- Eronder zie je het contacttype van de uitgang: normaal open of normaal gesloten contacten, en of ze gesloten of open zijn zolang het alarm actief is. Met Wijzigen open je de poorten van de IO-extensie om het aan te passen.
- Met Testen simuleert de controller het alarm op het toestel gedurende 10 seconden, zodat de uitgang 10 seconden aan staat. Zo controleer je de bedrading. Sla je wijzigingen eerst op. Het aangesloten systeem, zoals een brandmeldcentrale, kan reageren alsof het alarm echt is: verwittig de betrokkenen dus op voorhand.
- De IO-extensie toont welke uitgangen gebruikt worden voor alarmsignalering.
- Alarmsignalering vraagt controllerversie 0.0.338 of hoger.

Toestelacties
Het tabblad Acties somt de commando's op die het EMS naar dat toestel kan sturen. Welke er zijn, hangt af van merk en model. Ondersteunde batterijsystemen kan je zo op afstand herstarten, bijvoorbeeld als het systeem niet meer reageert of na een fout die een herstart vraagt.
Een herstart onderbreekt de werking van het toestel: de batterij stopt met laden of ontladen tot het systeem weer online is, en de aansturing hervat pas zodra het toestel zichzelf weer als beschikbaar meldt. Herstart niet tijdens een periode waarin de installatie aanstuurbaar moet blijven, bijvoorbeeld tijdens een actieve beperking van de netbeheerder.