Aan de slag
Toestellen toevoegen en controleren
Toestellen toevoegen aan een Voltmasters EMS-project met de wizard: toesteltype, merk, model en de communicatie-instellingen om te controleren.
Open het overzicht van de toestellen
Open je project op platform.voltmasters.be, ga in het projectmenu naar Toestellen en klik rechtsboven op Toestel toevoegen.

Vul de gegevens van het toestel in
Kies in de wizard Nieuw toestel toevoegen het toesteltype, het merk en het model, en vul verder in:
- Toestelnaam: een duidelijke, unieke naam, bijvoorbeeld PCS1, BMS rack 2 of Hoofdmeter.
- Bovenliggend toestel: het bovenliggende toestel in de elektrische hiërarchie, doorgaans de hoofdmeter.
Klik op Volgende.

Stel de communicatie in
Is het toestel bereikbaar via Modbus TCP, dan begint de stap met Netwerk scannen. Ken je het adres niet? Laat de EMS-controller zijn netwerk scannen op Modbus-toestellen:
- Op controllers vanaf versie 0.0.340 toont een voortgangsbalk hoe ver de scan staat: eerst zoekt hij toestellen op het netwerk, daarna identificeert hij de gevonden toestellen.
- Klik op Dit apparaat gebruiken bij het toestel dat je wilt. De wizard vult het IP-adres, de poort en het slave-ID in.
- Toestellen die al in het project zitten, krijgen de vermelding Al toegevoegd als met hun naam erachter.
- De scan vraagt controllerversie 0.0.339 of hoger. Op een oudere controller update je de controller, of vul je de verbinding manueel in.
Kijk de verbindingsinstellingen na of vul ze in:
- Protocol: bijvoorbeeld Modbus TCP/IP. Heeft het toestel alleen RS485, gebruik dan een adapter: zie RS485 naar Modbus TCP-adapters.
- IP-adres: het vaste IP-adres van het toestel.
- Poort: meestal
502voor Modbus TCP. - Slave-ID: het Modbus slave-ID, vaak
1. - RTU over TCP (seriële converter): zet dit aan wanneer het toestel achter een transparante RS485 naar Ethernet-converter hangt. Het EMS stuurt dan kale Modbus RTU-frames over de TCP-verbinding in plaats van Modbus TCP. Vindt de scan het toestel als Modbus RTU over TCP, dan staat deze optie vanzelf aan.
Klik op Test om de communicatie te controleren, en daarna op Volgende.

Controleer de parameters en sla op
Heeft het toestel onderliggende toestellen, parameters of laadconnectoren, dan opent de wizard de stap Parameters. Kijk de waarden na die het EMS uit het toestel gelezen heeft, vul aan wat ontbreekt en klik op Opslaan. Is er niets in te stellen, dan wordt het toestel meteen opgeslagen.
Controleren of het toestel werkt
- De knop Test in de wizard controleert of het EMS het toestel bereikt met de ingevulde instellingen. Lukt de test niet, kijk dan het IP-adres, de poort en het slave-ID na, en of het toestel op hetzelfde netwerk zit als de controller.
- Na het opslaan staat het toestel in de toestellijst, met zijn online status.
- Voeg je een toestel dat het EMS aanstuurt toe aan een project dat al gevalideerd is, dan moet het project opnieuw gevalideerd worden. De bevestiging na het opslaan meldt dat.
- Voor de validatie van het project moet elk toestel live data doorsturen: zie Een project laten valideren.