DSO RTU
Assetsetpoints (MAXSETAP en MINSETAP)
Hoe de Fluvius-assetsetpoints MAXSETAP en MINSETAP berekend worden: de referentievermogens waarop ze gelden, wat er meetelt, en uitgewerkte voorbeelden om bij een certificatie te gebruiken.
Fluvius stuurt de assets achter de aansluiting aan met twee setpoints, allebei in een percentage. Ze gelden niet op het netkoppelpunt maar op het virtuele assetkoppelpunt: de som van de meetkanalen van de geregistreerde assets, met de richting erbij.
| Setpoint | Begrenst | Geldt voor |
|---|---|---|
MAXSETAP |
De afname (het laden) van de assets | Het flexibele verbruik: de batterijen |
MINSETAP |
De productie (de injectie) van de assets | Alle producerende assets: de batterijen en de PV |
Het percentage op de lijn betekent op zich niets. Het is een percentage van een referentievermogen dat Fluvius per site registreert, en dat referentievermogen verschilt per richting.
De twee referentievermogens
Fluvius legt het aandrijfvermogen van de geplaatste assets vast in zijn DER-register, op basis van de keuringsverslagen die voor de installatie ingediend zijn. Die geregistreerde waarden, en niet de kenplaat van het materiaal op de site, zijn de basis van de percentages.
$$ P_{ref,consumption} = \sum P_{drive}(\text{batteries}) $$
$$ P_{ref,production} = \sum P_{drive}(\text{batteries}) + \sum P_{drive}(\text{PV}) $$
Het geregistreerde aandrijfvermogen kan afwijken van de kenplaat van de geplaatste omvormers, en het is niet het toegangsvermogen en niet het contractuele aansluitvermogen. Vraag Fluvius naar de waarden in hun register en vul precies die in.
De formules
Schrijf de toegelaten netto-uitwisseling van de assetgroep als:
$$ P_{allowed,consumption} = \frac{MAXSETAP}{100} \times P_{ref,consumption} $$
$$ P_{allowed,production} = \frac{MINSETAP}{100} \times P_{ref,production} $$
De gemeten waarde waar dat tegen afgetoetst wordt, is de netto-uitwisseling van de assets zelf:
$$ P_{assets} = P_{charge} - P_{discharge} - P_{PV} $$
Een positieve $$P_{assets}$$ is afname en wordt door MAXSETAP begrensd; een negatieve is productie en wordt door MINSETAP begrensd.
Omgezet naar een laadgrens, wat het EMS uitstuurt:
$$ P_{charge,max} = \frac{MAXSETAP}{100} \times P_{ref,consumption} + P_{PV} $$
De term voor de lokale productie is geen bonus: hij volgt uit het feit dat het setpoint op de netto-uitwisseling geldt. De assetgroep mag altijd opnemen wat ze zelf produceert, bovenop het plafond.
Wat niet meetelt
Het eigen verbruik van de site speelt geen rol. De gebouwlast zit buiten het virtuele assetkoppelpunt, dus ze verhoogt noch verlaagt het toegelaten laadvermogen. Wat de site van het net haalt, valt onder de aparte setpoints op het aansluitpunt (MAXSETP en MINSETP).
Fluvius bevestigde voor een installatie met PV en batterij dat de meting de som is van de kanalen zon, wind, WKK, opslag en andere productie. De kanalen voor EV en flexibel verbruik vallen erbuiten: die dragen de afnamekant van het dossier, waar de setpoints op het aansluitpunt over gaan. Bij een Fall-Back Flex-aansluiting zit daar het geregistreerde flexibele verbruik, de batterij inbegrepen wanneer het zonefiche ze als zodanig meerekent, met het EV-laden altijd apart in kanaal 5. Zie wat Fluvius tijdens een activatie in de gaten houdt.
Meegeteld tegenover aangestuurd
De som gaat over de assets die bij de netbeheerder geregistreerd staan, niet over de assets die het EMS toevallig kan aansturen. Fluvius bepaalt die registratie aan de hand van het eendraadschema waarop de Netflex-kast staat: een installatie die achter de kast getekend staat is geregistreerd, een die erbuiten staat niet. Dat schema is tijdens de certificatie bepalend, zowel voor de referentievermogens als voor wat de netbeheerder in elk meetkanaal verwacht.
Die registratie regelt vier dingen in één keer, en Fluvius laat niet toe dat je ze splitst:
- de installatie wordt in haar meetkanaal gerapporteerd (kanaal 1 voor PV);
- ze zit in het referentievermogen;
- ze wordt aangestuurd wanneer de netbeheerder de injectie begrenst;
- ze telt mee in de som op het virtuele assetkoppelpunt.
Een PV die niet achter de kast getekend staat, zit dus in geen van die vier. Hij wordt niet gerapporteerd, zit niet in het referentievermogen, wordt nooit door de regels van de netbeheerder afgeregeld, en compenseert de batterij niet onder MAXSETAP. Een PV in kanaal 1 rapporteren enkel om hem de batterij te laten compenseren, terwijl hij niet aangestuurd wordt en niet in het referentievermogen zit, is een tussenvorm die de netbeheerder afwijst.
Fluvius bevestigde het: de assetkanalen bevatten enkel de installaties die onder technische flex vallen, dat zijn de vermogens die de referentievermogens vormen, en hun som is wat er op het virtuele assetkoppelpunt gebeurt. Productie of opslag buiten de technische flex hoort niet in die kanalen gerapporteerd te worden.
In het EMS zijn dat twee instellingen die met elkaar moeten kloppen:
| Vraag | Waar het antwoord staat | Wat het bepaalt |
|---|---|---|
| Staat dit toestel achter de kast van de netbeheerder getekend? | De schakelaar per toestel in de toestellentabel op de pagina met de DSO RTU-instellingen | Of het gerapporteerd wordt, meetelt op het virtuele assetkoppelpunt en of de telecontroleregels erop gelden |
| Kan het EMS dit toestel überhaupt aansturen? | De onbeheerde modus op het toestel zelf | Of het afgeregeld kan worden, of enkel gemeten |
Een toestel achter de kast moet aanstuurbaar zijn. Fluvius stuurt een geregistreerde asset aan op injectie, dus een geregistreerde PV die onbeheerd staat is een configuratiefout: zet ofwel de aansturing op de omvormer aan, ofwel het toestel uit de assetgroep en uit het schema. Het EMS waarschuwt voor elk geregistreerd toestel dat het niet kan aansturen.
Zolang die situatie duurt, houdt het EMS de groep binnen de grenzen van de netbeheerder voor zover het kan. Een geregistreerde PV die het niet kan afregelen telt nog altijd mee in de som, en de batterij is de enige knop die overblijft:
- Onder
MAXSETAPhelpt de PV. Zijn productie compenseert het laden, dus de batterij mag er zoveel meer bij opnemen bovenop het plafond. - Onder
MINSETAPkost de PV ruimte. Zijn injectie vult de toegelaten productie op en de batterij moet wijken: eerst door niet te ontladen, en daarna door te laden om het overschot op te nemen.
Bij MINSETAP = 0 % wordt dat letterlijk: de batterij neemt precies op wat de PV produceert. Kan ze dat niet, omdat ze vol zit of te klein van vermogen is, dan is de grens op die installatie niet haalbaar. Dat is een terugval die de site zo dicht mogelijk bij de eis houdt, geen opstelling om op een certificatie voor te leggen.
Een toestel uitvinken is bedoeld voor materiaal dat niet achter de kast getekend staat, bijvoorbeeld een omvormer achter een ander toegangspunt of bestaande PV die de klant buiten de kast wilde houden. Fluvius meet er dan niets van en verwacht er niets van. Het is geen manier om een geregistreerde omvormer uit de rekensom te houden: een geregistreerde omvormer wordt toch gemeten, dus hem weglaten maakt het EMS er enkel blind voor.
De schakelaar en de referentievermogens antwoorden op verschillende vragen over hetzelfde schema. Het referentievermogen zegt waar het percentage tegen gemeten wordt; de schakelaar zegt wie er in de som zit. Beide moeten kloppen met het schema dat Fluvius heeft, anders topt het EMS de juiste groep tegen de verkeerde basis af, of de verkeerde groep tegen de juiste basis. De kaart met de meetkanalen waarschuwt wanneer de schakelaar en het kanaal van een toestel niet met elkaar kloppen, want dat is precies de splitsing die de netbeheerder afwijst.
Uitgewerkt voorbeeld
Een installatie met 1660 kW geregistreerd aandrijfvermogen voor de batterij en 110 kW geregistreerde PV:
- $$P_{ref,consumption} = 1660 \text{ kW}$$
- $$P_{ref,production} = 1770 \text{ kW}$$
De netbeheerder stuurt MAXSETAP = 8 %, de PV produceert 20 kW, en het gebouw verbruikt 20 kW.
| Stap | Berekening | Resultaat |
|---|---|---|
| Toegelaten netto-afname | 8 % x 1660 kW | 132,8 kW |
| Lokale productie om te compenseren | De gemeten PV | 20 kW |
| Toegelaten laadvermogen van de batterij | 132,8 kW + 20 kW | 152,8 kW |
| Verbruik van het gebouw | Telt niet mee | 0 kW |
Een batterijsetpoint van 250 kW laden is dus te hoog: met 20 kW PV zet dat 230 kW netto-afname op het virtuele assetkoppelpunt, ruim boven de toegelaten 132,8 kW. De batterij wordt in plaats daarvan op 152,8 kW afgetopt.
Waar je de referentievermogens instelt
Beide waarden zet je onder Configuratie → Net & markt → DSO RTU-instellingen, in de sectie Referentievermogens van de assets. Die verschijnt bij de provider Fluvius Netflex en bij het EME eCON+-paneel, omdat die allebei dezelfde setpoints omzetten.

De twee referentievermogens hangen aan een richting: het veld voor afname is de basis van MAXSETAP, dat voor productie de basis van MINSETAP.
| Veld | Basis voor | Telt mee |
|---|---|---|
| Referentievermogen afname (kW) | MAXSETAP |
Enkel de batterijen |
| Referentievermogen productie (kW) | MINSETAP |
De batterijen en de PV |
Welke waarde in welk veld hoort
Het vermogen zoals Fluvius het geregistreerd heeft, uit hun DER-register, dat ze opbouwen uit de keuringsverslagen die voor de installatie ingediend zijn. Dat is niet de kenplaat van het materiaal op de site, en niet het toegangsvermogen van de aansluiting.
Bij De Sweemer registreerde Fluvius 1660 kW voor afname en 1770 kW voor productie, terwijl de kenplaten van diezelfde installatie op 1725 kW en 1825 kW uitkomen. Vraag de netbeheerder naar de waarden in zijn register en vul precies die in.
Een veld leeg laten
Het EMS valt dan terug op het geïnstalleerde vermogen van de assets die het aanstuurt: de som van het nominaal vermogen van de batterijen voor afname, en van de batterijen plus de PV voor productie. Die terugval houdt de site veilig aan het stuur, maar ze klopt pas met de rekensom van de netbeheerder zodra de geregistreerde waarden ingevuld zijn.
Een fout kost in beide richtingen iets. Staat een referentievermogen te hoog, dan komt elk percentage op meer kilowatt uit dan de netbeheerder toelaat, en gaat de installatie over het setpoint. Staat het te laag, dan geef je laadvermogen weg dat wel mocht: in het uitgewerkte voorbeeld hierboven kost rekenen met het toegangsvermogen van 1500 kW in plaats van de geregistreerde 1660 kW ongeveer 13 kW bij 8 %, en dat gat groeit met het percentage.
De twee velden zijn beschikbaar zodra platformrelease #1018 uitgerold is. Daarvoor draait elke site op de terugval die hierboven beschreven staat.
Checklist tijdens een certificatie
- Vraag met welk referentievermogen de keurder rekent, en vergelijk dat met wat er op het project ingesteld staat. Een percentage klopt enkel wanneer beide kanten dezelfde basis gebruiken.
- Lees de referentievermogens van het platform af voor de test begint, zodat een verschil aan het licht komt voor er een setpoint gestuurd wordt.
- Noteer de PV-productie op het moment van de test. Het toegelaten laadvermogen beweegt ermee, dus een meting een minuut later geeft een andere verwachte waarde.
- Laat de gebouwlast buiten beschouwing bij het berekenen van de verwachte waarde. Dat is tijdens een test een vaak voorkomende bron van verwarring, want ze beïnvloedt de meter op het aansluitpunt wel.
- Vergelijk met het gemeten assetvermogen, niet met het uitgestuurde setpoint: Fluvius ziet wat de assets leveren.
Verwante pagina's
- Hoe de RTU-setpoints verwerkt worden: de basis van elk percentage, de volgorde van de regels en de formule achter elk ervan.
- Fluvius: de Netflex-interface, haar commando's en haar metingen.
- Indienstname en certificatie: hoe Voltmasters valideert en de keuring begeleidt.