Toestelintegraties
Reactive power control (Data Manager)
Het reactief vermogen laten regelen op een SMA Data Manager, en waarom het totale installatievermogen bepaalt wat elk setpoint betekent
Het EMS stuurt de installatie over Modbus een setpoint voor het reactief vermogen, als percentage. De Data Manager ontvangt dat en geeft het door aan zijn omvormers. Er gebeurt niets zolang het reactief vermogen niet als een eigen netbeheerdienst aanstaat: het actief en het reactief vermogen stel je apart in, en het ene aanzetten zet het andere niet aan.
Een ontbrekende configuratie zwijgt. De Data Manager aanvaardt elke schrijfactie naar het register voor reactief vermogen zonder Modbus-fout en negeert ze gewoon. Het enige symptoom is dat de installatie nul reactief vermogen blijft leveren.
Gebruik de eigen webinterface van de Data Manager
Meld je rechtstreeks op het IP-adres van de Data Manager aan, als Installer.
Het menu met de netbeheerdiensten staat niet in Sunny Portal. Installateurs die daar zoeken, besluiten dat de functie op de installatie niet bestaat, en dat klopt niet. Open de Data Manager op het lokale netwerk.
Zet het reactief vermogen aan
Configuration > Grid management service
Het overzicht somt de diensten apart op. Bij het reactief vermogen staat Configuration & activation zolang het niet ingesteld is, en Active zodra dat wel zo is.

In de Nederlandse interface: Configuratie > Netbeheer, rij Blindvermogen, knop Configuratie & activering.
Kies Configuration & activation op de rij van het reactief vermogen en loop de installatie-assistent door:
Total plant power
Kijk die waarde eerst na, zie de sectie hieronder.
De werkmodus
Kies Open-loop control. Closed-loop control vraagt een energiemeter op het netkoppelpunt en blijft zonder zo'n meter grijs.
De bron van het setpoint
Kies Reactive power, Modbus. De cos phi-opties en de Q(U)-curve blijven grijs zonder meter op het netkoppelpunt; een gewoon setpoint voor reactief vermogen heeft er geen nodig.
De veranderingssnelheid en de terugval
Laat de veranderingssnelheid uit, tenzij de netbeheerder een ramp vraagt. De terugval staat standaard op een timeout van 600 s en een terugvalwaarde van 0 %, en dat is een verstandige keuze: het EMS ververst het setpoint om de paar seconden, dus de terugval slaat enkel aan wanneer het EMS echt weg is.

In de Nederlandse interface heet de bron van het setpoint Blind vermog., modbus, en de werkmodus Besturing (open-loop) tegenover Regeling (closed-loop).
Na het opslaan waarschuwt de assistent dat de regeling pas begint zodra het setpoint minstens één keer doorgestuurd is. Dat hoort zo: het EMS begint bij zijn volgende regelcyclus te schrijven.
Het totale installatievermogen bepaalt wat een percentage betekent
Zowel het setpoint voor het actief als dat voor het reactief vermogen gaat als percentage door. De Data Manager rekent dat percentage om met Total plant power, het veld in de eerste stap van de assistent. Dat is een waarde die je met de hand ingeeft, en niets toetst ze aan de omvormers die er echt hangen.

Klopt die waarde niet met de installatie, dan zit elk setpoint met dezelfde verhouding fout, in beide richtingen, zonder dat er ergens een foutmelding komt.
Op een installatie van 470 kW stond dat veld nog op 220 000 W. Een afregelcommando van 25 % leverde 55 kW op in plaats van de verwachte 117,5 kW, omdat de Data Manager 25 % van 220 kW toepaste. Nadat het veld op 470 000 W gezet was, gaf hetzelfde commando 70 kW bij 15 %, precies zoals verwacht.
Zorg dat de waarde overeenkomt met het geïnstalleerde omvormervermogen van de installatie, en dat datzelfde getal als nominaal vermogen van het toestel in ons platform ingevuld staat. De registers 30233 en 31547 geven het omvormervermogen door dat de Data Manager zelf gevonden heeft, wat een handige tegencheck is.
Het totale installatievermogen wijzigen berekent elke parameter die eruit volgt opnieuw, en SMA waarschuwt dat je eigen instellingen op die parameters daarbij kwijt kan raken. Noteer wat er ingesteld staat voor je het aanpast, en kijk daarna de gebeurtenissenlijst na.
Nakijken op de installatie
Alleen instellen is geen bewijs. Geef een bescheiden setpoint op en meet wat de installatie doet:
| Register | Betekenis |
|---|---|
| 30805 | Het reactief vermogen dat de installatie levert, in var |
| 32185 | De opgave voor reactief vermogen die op dat moment geldt, in procent |
| 31239 | De grens voor het actief vermogen die over de communicatie binnenkwam, in procent |
| 32187 / 32189 | Het reactief vermogen dat de installatie werkelijk aankan, onder- en overgeëxciteerd, in var |
| 32197 / 32199 | Diezelfde twee waarden in procent van de referentie die de Data Manager hanteert |
Zolang het EMS nooit geschreven heeft, geeft 31239 de SMA-waarde voor "niet beschikbaar" door in plaats van nul. Zodra het EMS schrijft, volgen beide registers het opgelegde percentage binnen enkele seconden. Volgen ze het wel terwijl 30805 op nul blijft, dan aanvaardt de Data Manager het setpoint maar doen de omvormers er niets mee.
Lees na wat de installatie werkelijk aankan
Een omvormer levert zelden evenveel reactief als actief vermogen; zestig procent is courant. Onder Monitoring > Momentane waarden staat wat de Data Manager bij zijn omvormers opgeteld heeft. De var-waarde is het getal dat telt; het percentage ernaast zet die capaciteit af tegen het nominaal actief vermogen en verandert niet door de aanpassingen hieronder.

Kanalen Measurement.Operation.CurAvailVArOvExt en CurAvailVArOvExtNom, met UnExt voor de andere richting. Over Modbus: 32187 en 32189 in var, 32197 en 32199 in procent.
Het nominaal reactief vermogen van de installatie
Onder Configuratie > Parameters staan Inverter.VArMaxQ1 tot Q4. De Data Manager leidt die af uit het totale installatievermogen in plaats van uit de omvormers.

Zet Q1 en Q2 op het opgetelde reactief vermogen van de omvormers, Q3 en Q4 op datzelfde getal met een minteken. De regels met Typeplaatje zijn alleen-lezen en volgen niet mee.
Dit getal bepaalt hoe de Data Manager een commando over zijn omvormers verdeelt. Elke omvormerfamilie hanteert een eigen referentie en hij rekent het percentage per toestel om. Klopt het getal niet, dan levert de installatie te veel of te weinig, zonder foutmelding.
Bij een commando van 10 % op een installatie van 470 kW met 282 kvar aan omvormers:
| Omvormer | Rekent tegen | Krijgt | Levert |
|---|---|---|---|
| STP 125-70 | actief vermogen, 125 kW | 10,0 % | 12,5 kvar |
| Sunny Tripower CORE2 | reactief vermogen, 66 kvar | 16,7 % | 10,6 kvar |
Die 16,7 % is 10 % maal 470 gedeeld door 282.
De geoptimaliseerde regel- en besturingsmodus
In de eerste stap van de assistent staat een vinkje. Staat het aan, dan krijgt elke omvormer zijn eigen setpoint in plaats van het commando dat je gaf.

SMA vermeldt er zelf bij dat de modus niet mogelijk is met Sunny Tripower CORE2 of met toestellen via SMA Data1. Zet het vinkje uit zodra er een CORE2 in de installatie zit. Anders lopen de omvormers uiteen: bij hetzelfde commando kregen twee CORE2's 19,0 % en 24,7 %, evenredig met hun productie op dat moment.
Ga na wat elke omvormer binnenkrijgt
Via Apparaat selecteren en dan Momentane waarden toont Setpoint.PlantControl.Inverter.VArModCfg.VArCtlComCfg.VArNom het percentage dat naar dat toestel gaat. Op de omvormer zelf is dat niet leesbaar: de Data Manager stuurt over Speedwire, dus 40200 en 30825 geven er de SMA-waarde voor "niet beschikbaar" terug.
Meet na, altijd
Meet het geleverde reactief vermogen tegenover een gekend commando, zeker op een installatie die omvormerfamilies mengt. Twee of drie punten volstaan, de respons is lineair. Op een installatie met twee Sunny Tripower CORE2 naast twee STP 125-70 gaf 10 % eerst 78 kvar in plaats van 47; na de aanpassingen 46,3 kvar. Blijft er een vaste verhouding over, geef die dan als nominaal reactief vermogen van het toestel in ons platform in.
Voor omvormers die rechtstreeks aangesloten zijn, zonder Data Manager, zie Sunny Boy en Sunny Tripower.