Naar de inhoud

Fluvius telecontrole instellen

Elke instelling die een Fluvius telecontrole-aansluiting op het platform nodig heeft, in de volgorde waarin je ze zet, met de documenten waar elke waarde uit komt.

Fluvius legt in drie documenten vast wat het van een installatie verwacht: het studiedocument, dat zegt welke flexproducten gelden en welke installaties achter de Netflex-kast staan, het zonefiche van het congestiegebied, en het eendraadschema waarop de kast getekend staat. Elke instelling op deze pagina neemt iets uit een van die documenten over. Hou ze bij de hand, want een waarde die er niet mee overeenkomt doet de certificatie mislukken, hoe goed de installatie zich ook gedraagt.

Bijna alles staat op één pagina: Configuratie → Net & markt → DSO RTU-instellingen. Twee instellingen staan elders en komen achteraan aan bod: de toegangsvermogens onder Netinstellingen en de poorten van de IO-module.

De volgorde hieronder is de volgorde waarin de waarden van elkaar afhangen. De provider ontsluit het formulier, de omvang van de flex bepaalt welke secties tellen, en de meetkanalen en referentievermogens hebben pas zin zodra die omvang gekend is.

Wat voor jouw aansluiting geldt

Elke Netflex-aansluiting heeft de basisconfiguratie nodig. Wat daarbovenop komt hangt af van de flexproducten die de studie oplegt, dus kijk dat eerst na: het bepaalt welke secties tellen en welke leeg blijven.

Jouw aansluiting Stappen die je doorloopt
Enkel telecontrole, geen flexproduct 1, 2, 5, 6, 8 en 9. De technische flex blijft uit en de referentievermogens van de assets blijven leeg. Fluvius stuurt enkel het aansluitpunt aan.
Met technische flex Hetzelfde, plus 3 (de technische flex aanzetten) en 4 (de twee referentievermogens). De productiekanalen in stap 5 tellen nu mee.
Met Fall-Back Flex Hetzelfde als bij enkel telecontrole, plus het geregistreerde flexibele verbruiksvermogen in 3 en heel stap 7.

Een aansluiting kan beide flexproducten hebben; dan geldt alles op deze pagina.

Voor je begint

Verzamel bij de klant en de installateur:

  • Het studiedocument: of er technische flex opgelegd is, dus of Fluvius de assets via MAXSETAP en MINSETAP aanstuurt, en welke installaties Fluvius achter de kast meerekent.
  • Het zonefiche: het geregistreerde flexibele verbruiksvermogen voor kanaal 6, en de Fall-Back Flex-parameters wanneer de aansluiting die formule heeft.
  • Het eendraadschema met de Netflex-kast: dat is bepalend voor de certificatie. Een installatie die achter de kast getekend staat is geregistreerd; een die erbuiten staat niet.
  • De referentievermogens uit het DER-register van Fluvius, wanneer er technische flex geldt. Vraag ze aan Fluvius; het zijn niet de kenplaatwaarden van het materiaal. Zie assetsetpoints.
  • De contractuele toegangsvermogens van de aansluiting, voor afname en injectie.

1. Kies de provider

Zet de telecontroleprovider op Fluvius Netflex. De rest van het formulier verschijnt zodra er een provider gekozen is. Staat de optie er niet, dan draait de controller een versie die ze nog niet ondersteunt; werk de controller dan eerst bij.

Voltmasters EMS: de pagina met de DSO RTU-instellingen met Fluvius Netflex als telecontroleprovider

De keuze van de provider, bovenaan de DSO RTU-instellingen.

De provider kiezen start de IEC-104-server op de controller en laat de Fluvius-RTU verbinden. De fysieke verbinding staat beschreven in RTU-verbinding; het adres van de controller op de RTU-verbinding vult het platform zelf in, zie Netwerkconfiguratie.

2. Noodstoppen

Fluvius heeft twee noodstoppen, een voor de productie (injectie) en een voor het verbruik (afname). Het formulier heeft per kant een blok, elk met twee lijsten:

Lijst Wat erin staat
Signalen Wat deze stop aanzet. Het Fluvius-signaal zit er standaard in en is niet weg te halen. Met Signaal toevoegen voeg je een digitale ingang op een IO-module toe, bijvoorbeeld een stopknop of een beveiligingscontact, die dezelfde stop lokaal aanzet.
Noodstoppen Wat er aangestuurd wordt om de stop uit te voeren. Met Uitgangspoort toevoegen voeg je een relaisuitgang op een IO-module toe die naar haar stoptoestand gaat; draad die in de koppeling van de assets die moeten stoppen. Meerdere uitgangen per kant mag, bijvoorbeeld een per kast.
Voltmasters EMS: de noodstop voor de productie met het ingebouwde Fluvius-signaal, een extra ingangssignaal op de IO-uitbreiding en één relaisuitgang

De productiekant van de noodstoppen: het Fluvius-signaal als ingebouwd signaal, een extra stopingang op poort 0 van de IO-module, en relaisuitgang 7 die de stop uitvoert.

De stop in software gebeurt altijd, wat je hier ook instelt: bij een productiestop zet het EMS de PV op nul en de batterij op 0 kW, bij een verbruiksstop de batterij op 0 kW en de regelbare lasten uit. De relaisuitgangen voegen de fysieke onderbreking toe die Fluvius verwacht. Hoe je een relais als houdcircuit draadt, welke bedieningsmodus je kiest en wat de eigen watchdog van de module moet zijn, staat op Noodstop.

Fluvius verwacht dat de eenheid na een stopsignaal fysiek onderbroken wordt, met een schakelaar. Beschouw een relaisuitgang per stop als een vereiste van een Netflex-aansluiting, niet als een optie. De keurder test niet de stop in software alleen.

3. Flex volgens de studie

Deze sectie neemt het studiedocument over en bepaalt welke meetkanalen Fluvius verwacht.

Veld Wat je invult
Technische flex opgelegd Aan wanneer de studie technische flex oplegt, dus wanneer Fluvius de assets met MAXSETAP en MINSETAP aanstuurt. Enkel dan verwacht Fluvius metingen in de productiekanalen (zon, wind, WKK, opslag, andere productie).
Geregistreerd flexibel verbruiksvermogen Enkel wanneer de aansluiting een flexproduct heeft dat flexibel verbruik registreert, in de praktijk Fall-Back Flex. Het vermogen dat het zonefiche voor kanaal 6 registreert, in kVA. Het staat niet in het studiedocument; vraag het zonefiche aan de klant. Het formulier toetst er de instelling van kanaal 6 hieronder aan af.
Voltmasters EMS: de sectie met de omvang van de flex, met de schakelaar voor technische flex en het geregistreerde flexibele verbruiksvermogen

De omvang van de flex: technische flex aan, en 20 kVA flexibel verbruik geregistreerd voor kanaal 6.

Zonder technische flex stuurt Fluvius enkel het aansluitpunt aan (MAXSETP, MINSETP) en verwacht het enkel de kanalen 5 en 6. De referentievermogens van de assets en de productiekanalen spelen dan geen rol, en het formulier zegt dat wanneer er een toestel in een kanaal staat dat het dossier niet verwacht.

4. Referentievermogens van de assets

Enkel bij technische flex. De twee vermogens die Fluvius voor de site geregistreerd heeft, en waarvan MAXSETAP en MINSETAP een percentage zijn:

Veld Basis voor Telt mee
Referentievermogen afname (kW) MAXSETAP Enkel de batterijen
Referentievermogen productie (kW) MINSETAP De batterijen en de PV

Neem de waarden uit het DER-register van Fluvius over, niet de kenplaatwaarden. Laat je ze leeg, dan valt het EMS terug op het geïnstalleerde vermogen van de assets die het aanstuurt. Dat houdt de site veilig maar klopt niet met de rekensom van de keurder. De volledige uitleg, een uitgewerkt voorbeeld en de checklist voor de certificatie staan op Assetsetpoints.

Voltmasters EMS: de sectie met de referentievermogens van de assets in de DSO RTU-instellingen

De twee referentievermogens, een per richting.

5. Netflex-meetkanalen

Fluvius registreert een vermogen per meetkanaal en verwacht enkel metingen in de kanalen die die registratie dekt. De kaart Netflex-meetkanalen somt elk toestel op dat een meting kan dragen, met het kanaal waarin het gerapporteerd wordt.

Kanaal Categorie Standaard voor
1 Zon PV-omvormers
2 Wind Windturbines
3 WKK (geen standaard)
4 Opslag Batterijen
5 EV-laden Laadpalen
6 Flexibel verbruik Regelbare lasten
7 Andere productie (geen standaard)
0 Niet gerapporteerd Toestellen buiten de registratie

Elk toestel start in het kanaal dat bij zijn type past. Pas dat aan wanneer het dossier iets anders zegt:

  • Een batterij die Fluvius als flexibel verbruik geregistreerd heeft, hoort in kanaal 6 en niet in kanaal 4.
  • Laadpalen gaan altijd apart in kanaal 5, nooit in kanaal 6.
  • Een asset die niet in de flexregistratie zit, bijvoorbeeld PV die niet achter de kast getekend staat, zet je op Niet gerapporteerd. Fluvius krijgt er dan geen meting voor.

De overzichtskaarten tonen het geïnstalleerde vermogen en het aantal toestellen per kanaal. Er lopen twee controles op de instelling: een waarschuwing wanneer er toestellen in een kanaal staan dat het dossier niet verwacht, dus productiekanalen zonder technische flex, en een vergelijking van het vermogen dat in kanaal 6 ingesteld staat met het geregistreerde flexibele verbruiksvermogen uit het zonefiche.

Voltmasters EMS: de kaart met de Netflex-meetkanalen, met het vermogen per kanaal, de dekkingscontrole op kanaal 6 en het kanaal per toestel

De meetkanalen: een kaart per kanaal, de dekkingscontrole tegenover het zonefiche, en het kanaal van elk toestel.

Het kanaal is geen voorkeur voor de rapportering. Fluvius vergelijkt de som van de kanalen 1, 2, 3, 4 en 7 met MINSETAP en MAXSETAP, en beoordeelt de installatie op wat er in die kanalen toekomt. Een toestel dat in een kanaal gerapporteerd wordt waar het niet geregistreerd staat, of een geregistreerd toestel dat ontbreekt, doet de test mislukken.

6. De geregistreerde assetgroep

Onder de kanalen somt de tabel Toestellen voor telecontrole de PV-omvormers en batterijen op, met een schakelaar die zegt of het toestel bij de assetgroep hoort die Fluvius achter de kast geregistreerd heeft. Dat lidmaatschap bepaalt of het toestel meetelt op het virtuele assetkoppelpunt en of de telecontroleregels het aansturen. Zie meegeteld tegenover aangestuurd voor wat die schakelaar wel en niet betekent.

Drie instellingen moeten hetzelfde verhaal vertellen over hetzelfde schema: het meetkanaal van een toestel, zijn lidmaatschap van de assetgroep, en de referentievermogens. Een PV die niet achter de kast getekend staat, is Niet gerapporteerd, valt buiten de assetgroep, en zit niet in het referentievermogen voor productie. Een PV die er wel achter staat, zit in kanaal 1, in de groep, in het referentievermogen, en is aanstuurbaar. Fluvius aanvaardt geen mengeling, zoals een PV die enkel gerapporteerd wordt om de batterij te compenseren, en de kaart met de meetkanalen duidt beide helften van die mengeling aan: een toestel in de assetgroep dat niet in een assetkanaal gerapporteerd wordt, en een toestel in een assetkanaal dat buiten de groep valt.

Een toestel in de assetgroep moet door het EMS aanstuurbaar zijn. Een geregistreerde PV of batterij die onbeheerd staat, levert op het project de waarschuwing Geregistreerde telecontrole-asset kan niet aangestuurd worden op. Zet dan ofwel de aansturing op het toestel aan, ofwel het toestel uit de groep wanneer het niet achter de kast staat.

7. Fall-Back Flex

Aansluitingen met de Fall-Back Flex-formule zetten die in datzelfde formulier aan: Fall-Back Flex actief, het verlaagde vermogen P_red, en bij day-aheadzones de instellingen van de planning-API. Fall-Back Flex beschrijft de formule, de velden en de opvolging.

8. Toegangsvermogens onder Netinstellingen

MAXSETP en MINSETP zijn percentages van het contractuele aansluitvermogen. Het EMS haalt dat vermogen uit Configuratie → Net & markt → Netinstellingen: het toegangsvermogen voor afname is de basis van MAXSETP, dat voor injectie de basis van MINSETP. Vul de contractuele waarden in, dus voor de veiligheidsmarge. Bij een Fall-Back Flex-aansluiting is het toegangsvermogen voor afname P_base uit het biedformulier.

Voltmasters EMS: de pagina met de netinstellingen en het toegangsvermogen voor afname en injectie

De toegangsvermogens zijn de 100 % van de setpoints op het aansluitpunt.

9. De poorten van de IO-module

De relaisuitgangen en ingangen die je in stap 2 toegewezen hebt, staan op de pagina Poorten van de IO-module (Configuratie → Toestellen, open de module). Het schema toont welke poort welke functie draagt, en de tabel eronder toont de bedieningsmodus van elke relaisuitgang. Kijk hier na of elke noodstop een poort heeft en of de bedieningsmodus met de bekabeling overeenkomt.

Voltmasters EMS: de pagina Poorten van een IO-uitbreiding met een telecontrolesignaal op ingang 0 en de noodstoppen voor productie en verbruik op de uitgangen 7 en 8

De pagina Poorten van de IO-module: ingang 0 geeft het signaal voor de productiestop, de uitgangen 7 en 8 voeren de stops voor productie en verbruik uit, en uitgang 6 schakelt een regelbare last.

Checklist voor de certificatie

  • [ ] De provider staat op Fluvius Netflex, en het DSO RTU-dashboard toont een recente momentopname met elk setpoint op 100 %.
  • [ ] Beide noodstoppen hebben een relaisuitgang die de assets fysiek onderbreekt, en de watchdog en de veilige toestand van de module staan ingesteld.
  • [ ] De technische flex komt overeen met het studiedocument, en het geregistreerde flexibele verbruiksvermogen met het zonefiche.
  • [ ] Bij technische flex: beide referentievermogens komen uit het DER-register van Fluvius.
  • [ ] Elk toestel staat in het kanaal van het dossier, toestellen buiten de registratie staan op Niet gerapporteerd, en de dekkingscontrole op kanaal 6 staat groen.
  • [ ] De assetgroep klopt met het eendraadschema, en geen enkel geregistreerd toestel staat onbeheerd.
  • [ ] De toegangsvermogens onder Netinstellingen zijn gelijk aan de contractuele vermogens.
  • [ ] Elk toestel dat Fluvius mag aansturen, staat in het EMS op aanstuurbaar.

Indienstname en certificatie beschrijft hoe de test zelf verloopt en hoe je de waarden op het DSO RTU-dashboard volgt terwijl de keurder ze stuurt.